Correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 3 november 2025
De oprichter van Schild & Vrienden plaatste een lasterlijk filmpje op YouTube over een doctoraatsonderzoeker. De correctionele rechtbank oordeelt dat er sprake is van een drukpersmisdrijf en verklaart zich onbevoegd. Een tweede beklaagde wordt wel veroordeeld omdat hij ongevraagd pakketten liet toesturen aan de doctoraatsonderzoeker.
Feiten
Naar aanleiding van een Pano-reportage over de groepering Schild & Vrienden, maakte een doctoraatsonderzoeker een Twitter-account aan met de naam Schuld & Vrienden. De onderzoeker, die zijn identiteit bewust verborgen hield, wilde een antwoord bieden op het racistische, negationistische, homofobe en antifeministische discours van Schild & Vrienden. Nadat de identiteit van de onderzoeker toch bekend raakte, kreeg hij een grote stroom van haatberichten toegestuurd.
De eerste beklaagde was de oprichter van Schild & Vrienden. Op zijn persoonlijk YouTube-kanaal had hij een video geplaatst waarin hij de identiteit van de onderzoeker vermeldde en hem beschuldigde van inbreuken op de privacywetgeving (de universiteit waar de onderzoeker werkte kon evenwel geen enkele deontologische of strafrechtelijke fout vaststellen).
De tweede beklaagde was lid van Schild & Vrienden. Hij had testpakketten met luiers voor volwassenen besteld via internet en daarbij de naam en het adres van de onderzoeker opgegeven.
Juridische kwalificatie
Het openbaar ministerie vervolgde de eerste beklaagde voor:
- Laster (artikel 443 e.v. oud Strafwetboek).
Het openbaar ministerie vervolgde de tweede beklaagde voor:
- Valsheid in informatica (artikel 210bis oud Strafwetboek).
- Valse naamdracht (artikel 231 oud Strafwetboek).
- Belaging (artikel 442bis oud Strafwetboek).
Beslissing
Wat de eerste beklaagde betreft, verklaart de correctionele rechtbank zich onbevoegd. Op basis van verschillende argumenten (zie hieronder: aandachtspunten), oordeelt de correctionele rechtbank dat er sprake is van een drukpersmisdrijf dat op grond van artikel 150 Grondwet moet worden voorgelegd aan een hof van assisen. Volgens de correctionele rechtbank kan niet alleen een geschreven tekst, maar ook een louter mondelinge of audiovisuele meningsuiting een drukpersmisdrijf opleveren. De correctionele rechtbank wijkt hiermee af van de rechtspraak van het Hof van Cassatie (bijv. Cass. 29 oktober 2013, AR. P.13.1270.N).
De tweede beklaagde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 70 uur. Bij het bepalen van de duur van de werkstraf hield de correctionele rechtbank rekening met het feit dat de redelijke termijn in casu was geschonden. Hij moet aan de onderzoeker een schadevergoeding betalen van 1.250 euro.
Aandachtspunten
De correctionele rechtbank oordeelt dat het YouTube-filmpje een drukpersmisdrijf vormt. De correctionele rechtbank steunt hiervoor op volgende argumenten:
- De rechtsleer ontwikkelde een argumentatie waarin wordt gepleit voor een extensieve interpretatie van artikel 150 Grondwet.
- Artikel 10 EVRM, dat de vrijheid van meningsuiting beschermt, sluit geen enkel medium uit. Conform artikel 14 EVRM zijn geen discriminaties toegelaten in het genot van artikel 10 EVRM.
- Er is sprake van 2 vergelijkbare groepen personen die publiekelijk online een mening uiten die niet is ingegeven door racisme of xenofobie: (1) personen die hun mening uiten in een geschreven tekst of in een geschreven tekst in combinatie met klank en/of beelden en (2) personen die hun mening uiten in een louter audiovisuele boodschap. Deze groepen zijn dermate vergelijkbaar dat het arbitrair zou zijn om er een onderscheid tussen te maken op grond van de zeer toevallige omstandigheid of de audiovisuele boodschap al dan niet is ondertiteld.
- Artikel 150 Grondwet wil de publieke expressievrijheid van eenieder grondwettelijk waarborgen. De grondwetgever oordeelde dat een hof van assisen de geschikte justitiële instantie is om de optimale publieke expressievrijheid van zijn burgers te verzekeren.
- De publieke expressievrijheid die niet is ingegeven door racisme of xenofobie moet voor alle vergelijkbare groepen van personen op gelijke wijze worden gegarandeerd, zonder dat hierbij het arbitraire onderscheid wordt gemaakt al naargelang de (schriftelijke, beeldende of verbale) vorm waarin de publieke expressie is geschied, via de drukpers dan wel via modernere media.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: Corr. Oost-Vlaanderen, afd. Gent, 3/11/2025.