Arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen, 12 januari 2016
Het ontslag van enkele werknemers die in een tuinbouwbedrijf werkten, was niet ingegeven door racistische motieven, maar was het gevolg van hun houding op de werkvloer.
[Eerste aanleg: Arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, 18 februari 2015]
[Deze beslissing werd verkregen dankzij de inzameling van rechtspraak door de onderzoekers van het project 'Discriminatie bestrijden via het recht: de Belgische ervaring ter zake' (PDR T.0197.19), gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) en gecoördineerd door Julie Ringelheim en Jogchum Vrielink.]
[Waarschuwing: deze uitspraak kan kwetsend taalgebruik bevatten.]
Feiten
7 werknemers van Marokkaanse afkomst worden tegelijk ontslagen, terwijl sommigen onder hen al lang voor het bedrijf werkten. Er werken ook tal van andere ‘nationaliteiten’ in het tuinbouwbedrijf. De problemen schijnen ontstaan te zijn nadat 2 werknemers voor 6 weken in het volle hoogseizoen zonder toestemming op vakantie vertrokken.
De werknemers meenden dat er sprake was van een inbreuk op de antidiscriminatiewet en/of de antiracismewet. Het arbeidshof ging hier niet meer akkoord. Enkele werknemers stelden hoger beroep in.
Beslissing
De werknemers voerden aan dat er sprake was van een strafrechtelijke inbreuk op de antiracismewet, namelijk een inbreuk op het verbod op discriminatie in de arbeidsbetrekkingen. Omdat ze hun burgerlijke vordering steunden op een misdrijf, konden ze geen gebruik maken van de verschuiving van de bewijslast.
Het arbeidshof oordeelde dat de werknemers niet konden bewijzen dat hun ontslag ingegeven was door racistische motieven. De houding van de werknemers lag aan de basis van het ontslag en het beginsel van gelijke behandeling was niet geschonden door de werkgever.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: Arbh. Antwerpen, afd. Antwerpen, 12/1/2016 - Rolnummer 2015/AA/222