Ga verder naar de inhoud

Arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt, 28 juli 2026

Een bedrijf werkt met een activity tracking-systeem. Dergelijke systemen beogen de optimale inzet van de werknemers, maar laten vaak niet toe om te voorzien in redelijke aanpassingen voor individuele werknemers. Het hof bevestigde de uitspraak in eerste aanleg die de vordering tot vaststelling van groepsdiscriminatie door Unia afwees omdat deze vordering ingesteld zou zijn op basis van de situatie van één geïdentificeerde persoon en diens toestemming om in rechte op te treden ontbrak.

[Eerste aanleg: Arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt, 27 januari 2025]

Gepubliceerd op: 28/07/2026
Domeinen: Arbeid
Beschermde kenmerken: Handicap
Rechtsinbreuk(en): Discriminatie (burgerrechtelijk), Weigeren redelijke aanpassingen
Rechtsmacht: Arbeidshof
Rechtsgebied: Antwerpen
Unia (burgerlijke) partij: ja

Feiten

Een vrouw werkte, via een uitzendkantoor, als order picker bij een bedrijf. Omwille van een medisch probleem had ze recht op een Vlaamse Ondersteuningspremie (VOP). De vrouw vroeg om haar doelstellingen bij te stellen bij wijze van redelijke aanpassing, maar het bedrijf gaf daar geen gevolg aan. Omdat ze niet dezelfde resultaten behaalde als haar collega's, kreeg ze een negatieve evaluatie. Uiteindelijk werd haar arbeidsovereenkomst niet verlengd.

Het bedrijf werkt met een activity tracking-systeem. Dergelijke systemen beogen de optimale inzet van de werknemers, maar laten vaak niet toe om te voorzien in redelijke aanpassingen voor individuele werknemers. De vorderingen van Unia tot vaststelling van de discriminatie en de staking ervan werden in eerste aanleg afgewezen bij gebrek aan toestemming van een geïdentificeerd slachtoffer. 

Beslissing

Ook het arbeidshof oordeelde dat de vordering van Unia tot staking van de discriminerende praktijk onontvankelijk was. De procedure zou volgens het hof in essentie gesteund zijn op de situatie van één geïdentificeerde werknemer. In dat geval vereist artikel 31 van de Antidiscriminatiewet dat Unia (of een andere belangenvereniging) beschikt over de instemming van het betrokken slachtoffer om in rechte op te treden. Omwille van een schikking die de vrouw en het bedrijf troffen, ontbrak die instemming echter bij het instellen van de procedure.

Het hof verwierp het argument van Unia dat zij optrad namens een onbepaalde groep van niet-geïdentificeerde slachtoffers (die in het verleden slachtoffer waren van de discriminerende praktijk, die dat op dit moment nog zijn of dat in de toekomst nog zullen zijn). Het hof hield geen rekening met vergelijkbare feiten en andere toestemmingen die Unia in de loop van de procedure met betrekking tot hetzelfde bedrijf voorlegde. Volgens het hof was de oorspronkelijke vordering gebaseerd op een individuele situatie en niet op een publiek aangekondigde of algemeen toegepaste discriminerende praktijk. Volgens het hof moet in geval van een groepsdiscriminatie aangetoond worden dat er op het moment van het instellen van de vordering al een onbepaald aantal ongeïdentificeerde slachtoffers van de discriminatie bestaan. Het hof zag geen reden om de vordering tot vaststelling van de discriminerende praktijk afzonderlijk van de stakingsvordering te beoordelen en verklaarde ook deze onontvankelijk.

Aandachtspunten

  • Het Hof van Cassatie oordeelde eerder dat de instemming van het slachtoffer niet vereist is wanneer een discriminerende praktijk een onbepaald aantal personen treft (Hof van Cassatie, 11 juni 2018).
  • Het arbeidshof Antwerpen oordeelde eerder dat in geval van een stakingsprocedure de vordering tot vaststelling van de discriminatie, de vordering tot staking én de vordering tot schadevergoeding elk afzonderlijk op zowel hun ontvankelijkheid als gegrondheid beoordeeld moeten worden (Arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen, 16 januari 2019).
  • Unia stelde een voorziening in Cassatie in omdat zij meent dat het arrest haar collectief actierecht onterecht inperkt.  

Unia was betrokken partij.

Afgekort: Arbh. Antwerpen (afd. Hasselt), 28 juli 2026 – Rolnummer 2025/AH/56.

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?