Arbeidsrechtbank Brussel (Nederlandstalig), 31 oktober 2014
Een man diende klacht in bij de preventieadviseur na een aantal incidenten die volgens hem verband hielden met zijn origine en geloof. De arbeidsrechtbank oordeelt dat hij geen feiten kan aantonen die discriminatie kunnen doen vermoeden.
[Hoger beroep: Arbeidshof Brussel (Nederlandstalig), 11 maart 2016]
[Deze beslissing werd verkregen dankzij de inzameling van rechtspraak door de onderzoekers van het project 'Discriminatie bestrijden via het recht: de Belgische ervaring ter zake' (PDR T.0197.19), gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) en gecoördineerd door Julie Ringelheim en Jogchum Vrielink.]
Feiten
Een man diende klacht in bij de preventieadviseur na een aantal incidenten die volgens hem verband hielden met zijn origine en geloof. Hij werd uiteindelijk ontslagen.
Hij verwijt de werkgever:
- inbreuk op de welzijnswet (artikel 32tredecies)
- inbreuk op de antiracismewet (artikel 16, § 2, 2°)
- inbreuk op de antidiscriminatiewet (artikel 18, § 2, 2°)
- misbruik van ontslagrecht
Beslissing
De arbeidsrechtbank oordeelt dat het ontslag niets te maken heeft met de klacht bij de preventieadviseur, maar integendeel verband hield met de agressieve houding van de man tegenover collega's en werknemers. Er is bijgevolg geen sprake van een inbreuk op artikel 32tredecies welzijnswet.
De man beweerde dat hij systematisch zwaarder werk diende te verrichten dan zijn collega's en dat het hem systematisch onmogelijk werd gemaakt om te bidden. De arbeidsrechtbank oordeelt dat de man geen feiten kan aanvoeren die het bestaan van discriminatie op grond van een beschermd criterium uit de antiracismewet of antidiscriminatiewet kunnen doen vermoeden.
Ten slotte oordeelt de arbeidsrechtbank dat de vordering voor een morele schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht verjaard is.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: Arbrb. Brussel (Nl.), 31/10/2014 - Rolnummer 11/6067/A