Correctionele rechtbank Leuven, 26 mei 2026
Een lezing aan KU Leuven zou over "regeneratieve landbouw" gaan, maar ging in werkelijkheid bijna uitsluitend over diversiteit, multiculturaliteit, migratie, omvolking, ongelijkheid tussen zogenaamde rassen, geslacht en gender. De rechtbank verklaart de spreker schuldig aan het aanzetten tot haat en het verspreiden van denkbeelden gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat. Voor het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met een recente veroordeling voor gelijkaardige feiten en legt een bijkomende geldboete op van 4.000 euro, subsidiair vervangen door 60 dagen gevangenisstraf.
[Zie ook: Hof van beroep Gent, 20 juni 2025]
[Waarschuwing: deze uitspraak kan kwetsend taalgebruik bevatten.]
Feiten
Op 28 februari 2024 gaf een spreker op uitnodiging van de nationalistische studentenvereniging NSV! een lezing in een aula van de KU Leuven. Hoewel het aangekondigde thema “regeneratieve landbouw” was, ging de lezing bijna uitsluitend over diversiteit, multiculturaliteit, migratie, omvolking, ras, etniciteit, geslacht en gender. In dat betoog koppelde hij maatschappelijke problemen in Vlaanderen, zoals dalende onderwijskwaliteit, onveiligheid, grote aantallen vreemdelingen in gevangenissen, woonnood en druk op de sociale zekerheid, aan massamigratie en aan een multiculturele samenleving. Hij stelde ook dat bevolkingsgroepen fundamenteel van elkaar verschillen en dat mensen volgens hem nooit gelijk zullen zijn. Om die redenering kracht bij te zetten, gebruikte hij verschillende voorbeelden over personen met een Afrikaanse achtergrond of migratieachtergrond. Zo verklaarde hij dat leerlingen met een Afrikaanse achtergrond of migratieachtergrond zwakkere schoolresultaten halen, dat blanke Europeanen en Aziaten betere ingenieurs of bruggenbouwers zijn dan Afrikanen, en dat vooral "blanke" jongeren getroffen worden door geweld aan de schoolpoort en daar weerloos tegenover zijn. Verder betoogde de spreker dat gender volgens hem niet bestaat, dat er volgens hem enkel 2 geslachten zijn en dat “genderideologie” een linkse constructie is.
Juridische kwalificatie
Het openbaar ministerie vervolgde de beklaagde voor:
- aanzetten tot haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan omwille van raciale kenmerken (artikel 20, 4° antiracismewet 1981 zoals gewijzigd in 2007 - nu artikel 250, 4° Strafwetboek), tenlastelegging A
- aanzetten tot haat of geweld jegens een groep, gemeenschap of leden ervan omwille van genderkenmerken (artikel 27, 4° genderwet - nu artikel 250, 4°Strafwetboek), tenlastelegging B
- verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat (artikel 21 antiracismewet 1981 zoals gewijzigd in 2007 - nu artikel 251 Strafwetboek), tenlastelegging C
Beslissing
De rechtbank oordeelde dat de uitspraken over gender in deze lezing te beperkt aan bod kwamen om een aanzetting tot haat of geweld in de zin van de genderwet te vormen. Zij sprak de spreker daarom vrij voor deze tenlastelegging.
Voor tenlasteleggingen op basis van de antiracismewet kwam de rechtbank wel tot een schuldigverklaring. De rechtbank stelde vast dat de spreker tijdens zijn lezing uitvoerig zijn visie ontwikkelde over ras, afkomst en migratie en dat hij zijn publiek duidelijk probeerde mee te nemen in die denkwijze. Volgens de rechtbank bestond de kern van zijn boodschap erin dat een groot deel van de maatschappelijke problemen in Vlaanderen, zoals de dalende onderwijskwaliteit, onveiligheid, de “gigantische aantallen vreemdelingen in onze gevangenissen”, het huizentekort en de “failliete” sociale zekerheid, volgens hem het gevolg zijn van het feit dat de samenleving “superdivers” en “multicultureel” is geworden. Daarbij viseerde hij volgens de rechtbank systematisch één of meerdere bevolkingsgroepen, die hij zelf afbakende door herhaaldelijk te verwijzen naar zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming.
De beklaagde voerde aan dat zijn uitspraken steunden op robuust wetenschappelijk onderzoek en bestaande cijfergegevens. De rechtbank maakte evenwel duidelijk dat de vervolging geen betrekking had op het louter verstrekken van informatie of het delen van ideeën in een publieke lezing. De kern van het verwijt lag volgens haar in de manier waarop hij die gegevens en opvattingen presenteerde, namelijk op een wijze die doelbewust aanzette tot haat of geweld jegens personen op grond van criteria die de antiracismewet beschermt. Op basis van de inhoud van de lezing en de context waarin zij plaatsvond, besloot de rechtbank dat de beklaagde handelde met het bijzondere opzet om zijn toehoorders aan te sporen of aan te moedigen tot haat of geweld jegens personen op grond van raciale kenmerken.
Voor de laatste tenlastelegging in verband met het verspreiden van denkbeelden die gegrond zijn op rassuperioriteit of rassenhaat, houdt de rechtbank geen rekening met de expliciete ontkenning van “white supremacy” door de beklaagde. Zij kijkt naar de inhoudelijke strekking van diens boodschap en besluit dat die wel degelijk aansluit bij een gedachtegoed, dat een minachtende en haatdragende strekking heeft en de fundamentele minderwaardigheid van een groep van personen uitdrukt op basis van raciale kenmerken. De rechtbank besluit dat hij daarbij onmiskenbaar de bedoeling had om de haat ten aanzien van de geviseerde groep van personen aan te wakkeren en de totstandkoming van een voor deze groep discriminerend of op segregatie gericht beleid te rechtvaardigen.
Bij het bepalen van de strafmaat hield de rechtbank echter rekening met het arrest van het hof van beroep Gent van 20 juni 2025. Zij aanvaardde eenheid van opzet met die eerdere feiten en legde, met toepassing van artikel 65 Sw., enkel een bijkomende geldboete op van 4.000 euro, subsidiair vervangen door 60 dagen gevangenisstraf.
Aandachtspunten
- Voor het aanzetten tot haat of geweld preciseert de rechtbank dat een oproep tot concrete geweldsdaden niet nodig is. Het volstaat dat de spreker anderen aanzet tot een algemene houding van onverdraagzaamheid of afkeer tegenover de geviseerde groep (zie Hof van Cassatie, 19 mei 1993).
- Onder het begrip ‘haat’ moet volgens de rechtbank worden verstaan: “een gemoedstoestand die wordt gekenmerkt door intense en irrationele emoties van afkeuring, vijandschap en afschuw jegens de doelgroep” (vrije vertaling van de definitie gehanteerd door de Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid van de Raad van Europa (zie ECRI-Aanbeveling nr. 15 van 8 december 2015 over het bestrijden van haatspraak, p. 15).
- De rechtbank leidt het bijzonder opzet af uit de globale inhoud, de herhaling, de prominente plaats van de raciale thema’s in de lezing en de context waarin de uitspraken zijn gedaan. Zij bekijkt dus niet één losse passage, maar het volledige betoog.
- De vrijspraak voor tenlastelegging rond de genderkenmerken toont dat een kritische, kwetsende of aanstootgevende uitspraak over gender op zichzelf nog geen strafbare aanzetting tot haat of geweld vormt. De rechtbank hecht veel belang aan de beperkte plaats van dat thema in de lezing en aan het ontbreken van een voldoende uitgewerkt haatdragend betoog daarover.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: Corr. Leuven, 26/5/2026 – Rolnummer 25L001211.