Ga verder naar de inhoud

Correctionele rechtbank Waals-Brabant, 3 oktober 2017

Mijnheer N. werd via een interimkantoor aangeworven om 2 dagen te werken als slager in een supermarkt. Uit een test van enkele uren, en uit de 2 dagen die mijnheer N. werkte als slager, werd duidelijk dat hij de nodige professionele competenties had voor deze functie. Nochtans werd zijn opdracht na 2 dagen niet verlengd. Het hoofd van de slagerij stelde tegenover mijnheer N. dat zijn contract niet verlengd kon worden omdat verschillende klanten hadden gemeld dat ze geen zwarte persoon wilden in de slagerij. 

[Hoger beroep: Hof van beroep Brussel (Franstalig), 5 mei 2020]

[Waarschuwing: deze uitspraak kan kwetsend taalgebruik bevatten.]

Gepubliceerd op: 03/10/2017
Domeinen: Goederen en diensten
Beschermde kenmerken: Racisme
Rechtsinbreuk(en): Discriminatie (strafrechtelijk), Discriminatie in domein arbeid
Rechtsmacht: Correctionele rechtbank
Rechtsgebied: Waals-Brabant
Unia (burgerlijke) partij: ja

Feiten

Een strafrechtelijk onderzoek liet toe om 2 cruciale getuigenissen te bekomen. 

  • Vooreerst bevestigde de bediende van het interimkantoor, schriftelijk, dat de werkgever de druk vanwege de klanten in verband met de huidskleur had ingeroepen om het interimcontract met mijnheer N. niet te verlengen.
  • Daarnaast was er de getuigenis van een vroegere bediende die bevestigde dat het hoofd van de slagerij hem had gezegd dat het contract van mijnheer N. om deze reden niet verlengd zou worden.

Juridische kwalificatie

Het openbaar ministerie vervolgde de beklaagde voor:

  • Discriminatie van een persoon, groep, gemeenschap of de leden ervan bij de arbeidsbetrekkingen (artikel 25 antiracismewet 1981 zoals gewijzigd in 2007 – thans artikel 255 Strafwetboek).

Beslissing

De correctionele rechtbank oordeelde dat er sprake was van discriminatie op grond van de huidskleur en dat de antidiscriminatiewet van toepassing was. Dit was niet alleen het geval in hoofde van degene die een beroep had gedaan op het interimcontract, de venootschap A., maar ook in hoofde van de fysieke personen binnen de vennootschap die beslissingen konden nemen op het vlak van de arbeidsbetrekkingen. 

De correctionele rechtbank weigerde aan de gerant het voordeel toe te kennen van de opschorting van de uitspraak. Dit gelet op de ernst van de feiten, de noodzaak om ze te bestraffen, de vaststelling dat dergelijke feiten de ontwikkeling van discriminatie in de maatschappij bevorderen en het gebrek aan schuldinzicht. 

De gerant van de vennootschap werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 maanden met uitstel en een geldboete van 1.200 euro met uitstel voor de helft gedurende 3 jaar. 

De vennootschap werd veroordeeld tot een geldboete van 3.000 euro met uitstel gedurende 3 jaar voor de helft van de straf.

Unia was betrokken partij.

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?