Hof van beroep Brussel (Franstalig), 5 mei 2020
Mijnheer N. werd via een interimkantoor aangeworven om 2 dagen te werken als slager in een supermarkt. Uit een test van enkele uren en uit de 2 dagen die mijnheer N. werkte als slager, werd duidelijk dat hij de nodige professionele competenties had voor deze functie. Nochtans werd zijn opdracht na twee dagen niet verlengd. Het hoofd van de slagerij stelde tegenover mijnheer N. dat zijn contract niet verlengd kon worden omdat verschillende klanten hadden gemeld dat ze geen zwarte persoon wilden in de slagerij. Bij vonnis van 3 oktober 2017 veroordeelde de correctionele rechtbank van Waals Brabant de gerant van de vennootschap en de vennootschap zelf voor discriminatie.
[Eerste aanleg: Correctionele rechtbank Waals-Brabant, 3 oktober 2017]
[Waarschuwing: deze uitspraak kan kwetsend taalgebruik bevatten.]
Juridische kwalificatie
Het openbaar ministerie vervolgde de beklaagde voor:
- Discriminatie van een persoon, groep, gemeenschap of de leden ervan bij de arbeidsbetrekkingen (artikel 25 antiracismewet 1981 zoals gewijzigd in 2007 – thans artikel 255 Strafwetboek).
Beslissing
Het hof van beroep bevestigt de uitspraak zoals geveld in eerste aanleg, met een kleine vermindering van de straf.
Unia was betrokken partij.