Ga verder naar de inhoud

Hof van Justitie van de Europese Unie, 14 maart 2018

Richtlijn 2000/78 verzet zich niet tegen een nationale regeling die, teneinde een einde te maken aan een discriminatie op grond van leeftijd die voortvloeide uit de toepassing van een nationale regeling die bij de indeling van de werknemers van een onderneming in salaristrappen enkel de diensttijd in aanmerking nam die na de leeftijd van 18 jaar was vervuld, deze leeftijdsgrens voor al die werknemers retroactief afschaft maar bepaalt dat enkel de ervaring die bij ondernemingen uit dezelfde economische sector is verworven, kan worden meegeteld.

Gepubliceerd op: 14/03/2018
Domeinen: Arbeid
Beschermde kenmerken: Leeftijdsdiscriminatie (agisme)
Rechtsinbreuk(en): Discriminatie (burgerrechtelijk), Directe discriminatie
Rechtsmacht: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rechtsgebied: Europese Unie
Unia (burgerlijke) partij: neen

Georg Stollwitzer tegen ÖBB Personenverkehr AG (C-482/16)

Feiten

Stollwitzer is op 17 januari 1983 in dienst getreden bij een van de rechtsvoorgangers van de ÖBB. Rekening houdend met de diensttijd die Stollwitzer vóór zijn indiensttreding had vervuld, werd zijn peildatum voor bevordering vastgesteld op 2 juli 1980.

Deze datum is onder meer bepalend voor de vraag tot welke salaristrap van de salaristabel een werknemer behoort, waarbinnen hij op regelmatige tijdstippen overgaat naar de volgende trap. Bij de berekening daarvan werd voorheen rekening gehouden met de vóór de indiensttreding vervulde diensttijd, met uitsluiting evenwel van de diensttijd die vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar was vervuld. De diensttijd die voor bevordering vereist was bedroeg voor alle salaristrappen 2 jaar.

Met de invoering van § 53a ÖBB‑G 2015 heeft de Oostenrijke wetgever voor de ÖBB gekozen voor een volledige en retroactieve herziening van het systeem van meetelling van vroegere diensttijd, met de bedoeling een einde te maken aan de discriminatie op grond van leeftijd die het Hof had vastgesteld in zijn arrest van 28 januari 2015, Starjakob (C‑417/13, EU:C:2015:38).

Stollwitzer heeft bij het Landesgericht Innsbruck (regionale rechtbank Innsbruck, Oostenrijk) beroep ingesteld tegen de ÖBB en verzocht om deze laatste te gelasten tot terugbetaling van het verschil tussen het salaris dat hij in de jaren 2008 tot en met 2015 had ontvangen en het salaris dat hij volgens hem had moeten ontvangen indien de voor bevordering vereiste diensttijd berekend was geweest volgens de regels die vóór de inwerkingtreding van § 53a ÖBB‑G 2015 golden maar dan met inbegrip van de diensttijd die hij vóór zijn achttiende verjaardag had vervuld.

Beslissing

Artikel 45 VWEU en de artikelen 2, 6 en 16 van Richtlijn 2000/78 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding die, teneinde een einde te maken aan een discriminatie op grond van leeftijd die voortvloeide uit de toepassing van een nationale regeling die bij de indeling van de werknemers van een onderneming in salaristrappen enkel de diensttijd in aanmerking nam die na de leeftijd van 18 jaar was vervuld, deze leeftijdsgrens voor al die werknemers retroactief afschaft maar bepaalt dat enkel de ervaring die bij ondernemingen uit dezelfde economische sector is verworven, kan worden meegeteld.

Unia was geen betrokken partij.

Afgekort: EU-HvJ, Georg Stollwitzer tegen ÖBB Personenverkehr AG, 14/3/2018 – Rolnummer C-482/16

Wetgeving:

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?