Ga verder naar de inhoud

Arbeidsrechtbank Antwerpen, afd. Antwerpen, 17 maart 2026

Een zelfstandige consultant krijgt 2 epilepsieaanvallen op zijn eerste werkdag. De voorvallen leidden tot de onmiddellijke stopzetting van een consultancyopdracht bij een bank. De voorzitter van de arbeidsrechtbank kwalificeerde dit als directe discriminatie op grond van handicap, kende een forfaitaire vergoeding van 6 maanden brutoloon toe en legde een verplichte e-learning antidiscriminatierecht op. Bij gebrek aan herhalingsgevaar legde de voorzitter geen stakingsbevel op.

Gepubliceerd op: 17/03/2026
Domeinen: Arbeid
Beschermde kenmerken: Discriminatie op basis van handicap (validisme), Discriminatie op basis van gezondheidstoestand
Rechtsinbreuk(en): Discriminatie (burgerrechtelijk), Directe discriminatie
Rechtsmacht: Arbeidsrechtbank
Rechtsgebied: Antwerpen
Unia (burgerlijke) partij: ja

Feiten

Een zelfstandige consultant sloot met een consultancybedrijf een raamovereenkomst om IT‑opdrachten in onderaanneming uit te voeren. Op dezelfde dag sloten beide partijen ook een bijzondere overeenkomst voor een concrete opdracht van 3 maanden als OPS1 Engineer bij een bankinstelling. Toen de consultant zich bij de bank aanbood om de opdracht te starten, kreeg hij - voor het eerst sinds jaren - een epilepsieaanval op de parking. De onthaalmedewerkers van de bank belden een ambulance die hem naar het ziekenhuis bracht. Toen hij het ziekenhuis verliet, bood hij zich opnieuw aan bij de bank en kreeg hij bij het overhandigen van de laptop een tweede epilepsieaanval.

Dezelfde dag liet het consultancybedrijf hem per e‑mail weten dat zij de overeenkomst hadden beëindigd omdat de consultant de opdracht niet kon aanvatten op de in de overeenkomst voorziene dag en de klant de bestelling intussen had geannuleerd. De consultant en Unia stelden dat deze onmiddellijke beëindiging neerkwam op een directe discriminatie op grond van handicap of gezondheidstoestand. Het consultancybedrijf en de bank betwistten dat standpunt. Zij gaven aan dat zij vooraf geen kennis hadden van een chronische aandoening en dat de annulering uitsluitend verband hield met het feit dat de consultant niet kon opstarten op de voorziene dag.

Beslissing

De voorzitter aanvaardde dat het discriminatieverbod bij ‘arbeidsbetrekkingen’ ook geldt voor de prestaties van een zelfstandige consultant bij de klant van zijn opdrachtgever, ondanks het ontbreken van een rechtstreekse contractuele band met die klant, het werken via een vennootschap en een dienstverleningsovereenkomst met de opdrachtgever. Doorslaggevend is een reële zelfstandige beroepsactiviteit met voldoende stabiliteit. Gedurende 3 maanden, 5 dagen per week werken op de kantoren van de klant vormt meer dan een occasionele dienstverlening.

De voorzitter kwalificeerde epilepsie als 'handicap' wegens het langdurige karakter van de beperking. De onmiddellijke stopzetting van de opdracht na de epilepsie-aanvallen vormde een feit dat directe discriminatie kon doen vermoeden waardoor de bewijslast verschoof naar opdrachtgever en klant. Hun verweer dat zij geen kennis hadden van de handicap en enkel gebruik maakten van de contractuele stopzettingsclausules bij niet‑uitvoering overtuigde niet. De voorzitter oordeelde dat deze contractuele sancties in dit geval niet toepasselijk waren en bovendien nooit in strijd mogen zijn met dwingende antidiscriminatiewetgeving.

  • De voorzitter veroordeelde bank en consultancybedrijf wegens discriminatie op grond van handicap tot 69.300 euro (plus vergoedende en gerechtelijke interesten). De consultant kan het volledige bedrag bij de bank of het consultancybedrijf innen. 
  • De stakingsvordering van de persoonlijk benadeelde bleef ontoelaatbaar wegens het ontbreken van herhalingsrisico na het afgesloten faillissement van zijn vennootschap. 
  • Unia had wel belang, maar de rechtbank wees de gevraagde staking af wegens te algemeen en onvoldoende concreet (o.m. i.v.m. art. 6 Ger.W.). 
  • Ook aanplakking/publicatie bleef ongegrond. 
  • Als positieve maatregel moesten bank en consultancybedrijf binnen 3 maanden minstens 1 medewerker aanduiden die via eDiv de Module Wet en Module Handicap volgt.

Aandachtspunten

De rechtbank benadrukt dat het begrip 'arbeidsbetrekkingen' in de Antidiscriminatiewet ruim moet worden geïnterpreteerd en een breed scala aan beroepsactiviteiten omvat die zelfstandigen verrichten om in hun levensonderhoud te voorzien (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, 23 april 2020), ongeacht de rechtsvorm via dewelke de zelfstandige deze arbeid presteert. Het gegeven dat de zelfstandige deze arbeid presteert via een tussenliggende (management)vennootschap of via een dienstverleningsovereenkomst doet geen afbreuk aan het feit dat het om een 'arbeidsbetrekking' gaat. Het sluiten van een dienstverleningsovereenkomst kan immers noodzakelijk zijn opdat een persoon zijn beroepsactiviteit als zelfstandige daadwerkelijk kan uitoefenen (dit vormt dan een van de 'voorwaarden voor toegang' tot arbeid als zelfstandige). Voorbeelden:

Het verschil tussen een 'arbeidsbetrekking' en het 'aanbieden van goederen of diensten aan het publiek' ligt in het gegeven dat de beroepsactiviteit reëel moet zijn en moet worden uitgeoefend in het kader van een rechtsbetrekking die een zekere stabiliteit heeft. Het Hof van Justitie van de Europese Unie, 12 januari 2023 (punt 47) geeft aan dat het moet gaan om een "reële en daadwerkelijke beroepsactiviteit die persoonlijk en op regelmatige wijze ten gunste van dezelfde afnemer wordt uitgeoefend en op basis waarvan [de persoon die arbeid levert als zelfstandige], geheel of gedeeltelijk, toegang heeft tot bestaansmiddelen."

Een ongunstige behandeling wegens een afwezigheid die gelinkt is aan een handicap of gezondheidstoestand vormt een direct onderscheid zodra die handicap of gezondheidstoestand de enige redelijke verklaring voor die afwezigheid is, ook zonder kennis van de precieze aard ervan. De rechtbank benadrukt dat van ondernemingen wordt verwacht dat zij, bij gezondheidsincidenten, eerst nagaan welke ondersteuning of redelijke aanpassingen mogelijk zijn, in plaats van onmiddellijk tot beëindiging over te gaan. Deze rechtspraak ligt in lijn met bijv. Arbeidshof Brussel, 20 februari 2018 (punt 30).

Dat de discriminatie bestaat uit de toepassing van een contractuele sanctie in geval van niet-uitvoering van een verbintenis, vormt geen afdoende rechtvaardiging omdat contractsbepalingen op grond van de hiërarchie der rechtsnormen niet in strijd mogen zijn met dwingend antidiscriminatierecht.

Deze beschikking bevestigt nogmaals dat de voorzitter van de rechtbank in het kader van een stakingsprocedure de toelaatbaarheid en gegrondheid van élk van de vorderingen afzonderlijk beoordeelt, met name wat de vaststelling van de discriminatie betreft, het stakingsbevel en de forfaitaire schadevergoeding. Zie bijv. Arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen, 16 januari 2019 (randnr. 2.2, p.17-18).

Unia was betrokken partij.

Afgekort: Vz. Arbrb. Antwerpen, afd. Antwerpen, 17/03/2026 - Rolnummer 24/3073/A

Wetgeving: 

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?