Correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 24 februari 2026
Nadat een bekende schrijver werd vrijgesproken voor negationisme en aanzetten tot haat en geweld jegens leden van de Joodse gemeenschap, werd hij opnieuw rechtstreeks gedagvaard door 3 leden van de Joodse gemeenschap. De correctionele rechtbank past het 'non bis in idem'-beginsel toe: na een vrijspraak kan een beklaagde geen 2e maal worden vervolgd voor dezelfde feiten.
[Zie ook: Raad voor de Journalistiek, 19 juni 2025 en Correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 11 maart 2025]
[Waarschuwing: deze uitspraak kan kwetsend taalgebruik bevatten.]
Feiten
De beklaagde - een bekende schrijver - publiceerde in het tijdschrift Humo verschillende columns waarin hij zijn mening uitte over de oorlog tussen Israël en Hamas en de rol van de Joodse gemeenschap. In één van de columns schreef de beklaagde "dat ik iedere Jood die ik tegenkom een puntig mes los door de keel wil rammen".
De schrijver werd rechtstreeks gedagvaard door de vzw Jid (Joods Informatie en Documentatiecentrum) en door een persoon die in eigen naam handelde. Vervolgens oordeelde de correctionele rechtbank, in een vonnis van 11 maart 2025, dat de strafvordering voor het misdrijf schriftelijke belediging onontvankelijk was en dat de beklaagde moest worden vrijgesproken voor de andere misdrijven.
Na dit vonnis werd de schrijver opnieuw rechtstreeks gedagvaard door 3 personen van Joodse origine met Nederlandse nationaliteit.
Juridische kwalificatie
Aan de beklaagde werden de volgende feiten ten laste gelegd:
- Ontkennen, schromelijk minimaliseren, pogen te rechtvaardigen of goedkeuren van feiten overeenstemmend met een misdaad van genocide, een misdaad tegen de mensheid of een oorlogsmisdaad, en als dusdanig vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal recht (artikel 250, 5° Strafwetboek).
- Aanzetten tot haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan (artikel 20, 4° antiracismewet 1981 zoals gewijzigd in 2007 - artikel 250, 4° Strafwetboek).
- Verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat (artikel 21 antiracismewet 1981 zoals gewijzigd in 2007 - artikel 251 Strafwetboek).
- Belediging (artikel 448 oud Strafwetboek).
Beslissing
De correctionele rechtbank wees op het 'non bis in idem'-beginsel en sprak het verval van de strafvordering uit. Wanneer een beklaagde in strafzaken definitief is veroordeeld of vrijgesproken door een definitieve rechterlijke beslissing, dan kan die beklaagde geen 2e maal worden vervolgd voor identieke feiten of substantieel dezelfde feiten (zelfs als ze anders werden gekwalificeerd).
De rechtstreekse dagvaarding door de burgerlijke partijen werd onontvankelijk verklaard omdat ze niet konden aantonen dat ze rechtstreeks schade hadden geleden en een rechtmatig belang hadden bij de bestraffing. De burgerlijke partijen hadden in hun rechtstreekse dagvaarding vermeld dat ze Joden waren en familie hadden verloren in de Holocaust. Hieruit bleek, volgens de correctionele rechtbank, dat ze geen schade hadden geleden die rechtstreeks afkomstig zou zijn van de misdrijven die aan de beklaagde ten laste werden gelegd.
De vordering van de beklaagde tot het betalen van een vergoeding wegens tergend en roekeloos geding werd ongegrond verklaard.
Aandachtspunt
Het feit dat de burgerlijke partijen in beroep gingen tegen het vonnis van 11 maart 2025 kan volgens de correctionele rechtbank niets veranderen aan de vrijspraak op strafrechtelijk gebied voor de vermelde tenlasteleggingen. Het openbaar ministerie tekende immers geen beroep aan, waardoor de beslissing met betrekking tot de strafvordering definitief is geworden.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: Corr. Oost-Vlaanderen, afd. Gent, 24/2/2026
Wetgeving:
- Artikel 10 Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (4 november 1950) (artikel 10 EVRM)
- Artikel 19 Grondwet