Zelfs met een diploma hoger onderwijs blijven jongeren van buitenlandse origine benadeeld op de arbeidsmarkt

27 oktober 2021
Actiedomein: Werk
Discriminatiegrond: RacismeLeeftijdAndere gronden

Jongeren van buitenlandse origine doen er langer over om een eerste baan te vinden, zelfs met een diploma hoger onderwijs.

    September, dat betekent het begin van het schooljaar. Het is ook het moment voor jongeren die de schoolbanken hebben verlaten om de arbeidsmarkt te betreden door zich in te schrijven voor een beroepsinschakelingstijd. Jongeren die na een jaar nog geen job hebben gevonden, komen in aanmerking voor een inschakelingsuitkering. Men zou verwachten dat een diploma van het hoger onderwijs dé sleutel is tot succes voor de intrede op de arbeidsmarkt. Maar zelfs met hetzelfde opleidingsniveau zijn niet alle jongeren gelijk als het gaat om het krijgen van die felbegeerde eerste baan. En opvallend, een diploma van het hoger onderwijs neemt deze ongelijkheid dus niet weg. Origine blijft ook vandaag nog een discriminerende factor in België.

    Laten we eens kijken naar de tabel hieronder om te zien wat er gebeurt tijdens dit eerste jaar van de inschakelingstijd. Het duurt bijvoorbeeld twee keer zo lang (mediane duur) voor jongeren van Noord-Afrikaanse of Sub-Sahara-Afrikaanse origine met een diploma hoger onderwijs om hun eerste baan te vinden, vergeleken met jongeren van Belgische origine met hetzelfde opleidingsniveau. De origine wordt bepaald aan de hand van de huidige nationaliteit van de jongere en de nationaliteit bij de geboorte van zowel de jongere als de ouders. Jongeren van buitenlandse origine worden dus gedefinieerd als jongeren die ofwel een andere nationaliteit hebben dan de Belgische, ofwel geboren zijn met een andere nationaliteit of waarvan 1 van beide ouders geboren zijn met een andere dan de Belgische nationaliteit. In 2016 vertegenwoordigden jongeren tussen 20 en 29 jaar 20% van de Belgische bevolking op beroepsleeftijd. Van deze groep was 61% van Belgische en 37% van buitenlandse origine.

    Zelfs met een diploma hoger onderwijs blijven jongeren van buitenlandse origine benadeeld op de arbeidsmarkt

    Mediane duur van de zoektocht naar een eerste baan, en het percentage jongeren langdurig zonder werk sinds de inschrijving (18-29 jaar, 3de trimester 2016)*

    De mediane duurindicator laat dit duidelijk zien (tweede kolom van de tabel): het duurt drie maanden vooraleer 50% van de jongeren van Belgische origine met een diploma hoger onderwijs een baan vinden tijdens hun inschakelingstijd, terwijl het zes maanden duurt voor de jongeren van Maghrebijnse of Sub-Saharaans-Afrikaanse origine. De situatie is nog opvallender voor jongeren met origine in het Nabije en Midden-Oosten, die er drie keer zo lang over doen om een baan te vinden (9 maanden). Uit deze cijfers blijkt dat afhankelijk van de origine van personen een diploma van het hoger onderwijs verschillende resultaten oplevert op de arbeidsmarkt.

    Een diploma hoger onderwijs: een onmisbare troef...

    Maar uit de eerste kolom van dezelfde tabel blijkt ook dat er een verband bestaat tussen het opleidingsniveau en de kansen om snel een baan te vinden. Jongeren zonder diploma of met ten ten hoogste een diploma van het lager secundair onderwijs hebben meer moeite om tijdens hun beroepsinschakelingstijd een baan te vinden: meer dan 50% van hen heeft aan het eind van het eerste jaar geen baan gevonden, ongeacht hun origine.

    ... maar biedt onvoldoende bescherming tegen ongelijkheden op de arbeidsmarkt

    In de tabel hierboven geven de balken per opleidingsniveau het percentage jongeren dat werkloos is 1 jaar na inschrijving voor de beroepsinschakelingstijd. Wij stellen hetzelfde vast als hierboven: hoe lager het opleidingsniveau, hoe groter de kans dat jongeren langer dan een jaar werkloos blijven. Het diploma hoger onderwijs lijkt echter beperktere effecten te hebben voor bepaalde origines. Meer dan 30% van de jongeren van Sub-Saharaans-Afrikaanse origine met een diploma van het hoger onderwijs is namelijk een jaar na hun afstuderen nog werkloos. Dit cijfer bedraagt meer dan 40% voor jongeren met origine in het Nabije en Midden-Oosten. Voor jongeren van Belgische origine is dat daarentegen slechts 11%.

    Wetenschappelijke gegevens voor een beleid ter bestrijding van structurele discriminatie

    Sinds 8 jaar publiceert Unia de Socio-economische Monitoring in samenwerking met de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Dit instrument, dat gebaseerd is op administratieve gegevens, biedt een momentopname van de situatie op de arbeidsmarkt, waarbij de situatie van mensen naar gelang hun origine in detail wordt beschreven. Sinds het rapport van 2017 heeft de situatie van jongeren meer aandacht gekregen en wordt er een hoofdstuk aan gewijd. Vanaf toen vielen de bevindingen over de jongeren van buitenlandse origine op: zij doen er langer over om een eerste baan te vinden en hebben meer moeilijkheden om hun diploma optimaal te benutten dan jongeren van Belgische origine. Het is hoog tijd om iets te doen aan deze meermaals vastgestelde ongelijkheid. Unia roept de sociale partners en de autoriteiten bevoegd voor werkgelegenheid dan ook op om de oorzaken van deze ongelijkheden te bekijken en positieve acties te ondernemen om ze te bestrijden.

    * Bron: Datawarehouse arbeidsmarkt en sociale bescherming, KSZ. Socio-economische Monitoring 2019 (p. 264). Berekening en verwerking: FOD WASO/Unia. Voor meer methodologische details zie pagina 259 van het rapport Socio-economische Monitoring 2019.

    EU14: Frankrijk, Duitsland, Italië, Nederland, Luxemburg, Ierland, Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Griekenland, Spanje, Portugal, Finland, Zweden, en Oostenrijk. EU-13: Tsjechische Republiek, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije, Bulgarije, Roemenië en Kroatië. Kandidaat EU: Turkije, Vroegere Joegoslavische Republiek Macedonië, Albanië, Montenegro, Servië. Maghreb: Algerije, Libië, Marokko, Tunesië en Mauritanië. Sub-Sahara Afrika: Burundi, Kameroen, Zuid-Afrika, Congo, Senegal, Rwanda, enz. Nabije/Midden-Oosten: Iran, Israël, Palestijnse Gebieden, Jordanië, Irak, Syrië, Libanon, Saoedi-Arabië, Jemen, Oman, Verenigde Arabische Emiraten, Qatar, Bahrein, Koeweit, Egypte, Pakistan en Afghanistan. Zuid/Centraal-Amerika: Cuba, Guatemala, Mexico, Nicaragua, Argentinië, Bolivia, Brazilië, Chili, Colombia, Ecuador, Peru, Venezuela, enz. Meer infomatie pagina 12 van het rapport Socio-economische Monitoring 2019.