Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 28 juni 2022

28 juni 2022
Actiedomein: Politie en justitie
Discriminatiegrond: Andere gronden

In 2009 werd een man door de politie aangehouden naar aanleiding van incidenten op de openbare weg in Sint-Gillis. Hij verklaarde dat hij door de politieagenten werd geslagen en diende tegen hen een klacht in voor opzettelijke slagen en verwondingen. De politieagenten dienden een tegenklacht in voor slagen en verwondingen en voor weerspannigheid.

Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 28 juni 2022

De feiten  

In 2009 werd de betrokkene door de politie aangehouden naar aanleiding van incidenten op de openbare weg in Sint-Gillis. Hij verklaarde dat hij door de politieagenten werd geslagen en diende tegen hen een klacht in voor opzettelijke slagen en verwondingen. De politieagenten dienden een tegenklacht in voor slagen en verwondingen en voor weerspannigheid.

Aangezien zijn klacht tegen de politieagenten werd geseponeerd, heeft de verzoeker bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een eerste procedure tegen de Belgische Staat ingeleid wegens een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat foltering en onmenselijke of vernederende[1] behandeling verbiedt. De Belgische Staat erkende de schending van artikel 3 EVRM in een unilaterale verklaring en kende aan de verzoeker een schadevergoeding toe. 

Wat de tegenklacht van de politieagenten betreft, werd de betrokkene uiteindelijk wel veroordeeld voor weerspannigheid, maar vrijgesproken voor slagen en verwondingen. Hij heeft deze beslissing ook aangevochten voor het EHRM. Het arrest dat hier wordt besproken heeft betrekking op dit onderdeel van de zaak. 

Juridische kwalificatie 

De verzoeker voerde bij het EHRM een schending aan van artikel 6 EVRM, waarin het recht op een eerlijk proces is verankerd. Hij klaagde over de kwaliteit van het verrichte onderzoek. Zijn verzoek om bijkomende onderzoeksdaden te stellen (meer bepaald het verhoor van getuigen) werd bijvoorbeeld afgewezen. Hij was ook van mening dat de rechters geen rekening hadden gehouden met de unilaterale verklaring van de Belgische Staat waarin een schending van artikel 3 EVRM werd erkend. Tenslotte verweet hij de nationale rechtelijke overheden dat zij minder aandacht hadden besteed aan de getuigenissen à décharge en in plaats daarvan hun beslissingen zonder voorbehoud hadden gebaseerd op de verklaringen van de politieagenten die hem hadden aangehouden.

Beslissing 

Het EHRM vindt dat er sprake is van een schending van artikel 6 EVRM.

Volgens het EHRM “vloeit uit de(ze) erkenning van een schending van artikel 3 EVRM door de Belgische Staat voort, dat de nationale rechtelijke overheden verplicht waren de beschuldigingen van weerspannigheid zeer zorgvuldig te onderzoeken en deze feiten met zekerheid vast te stellen.

(...)

In dit geval moet worden opgemerkt dat het hof van beroep bij de veroordeling van de verzoeker de doorslag gaf aan de belastende verklaringen van de politieagenten die de verzoeker hadden aangehouden en aan de getuigenissen van de andere politieagenten die op de plaats van de aanhouding aanwezig waren, hoewel die in strijd met artikel 3 EVRM werd geacht.

Het EHRM is het niet eens met de vaststelling van de regering dat het aan de nationale rechter overgedragen bewijs niet ’boven elke redelijke twijfel‘ aantoont dat er geen sprake was van weerspannigheid door de verzoeker. Dit zou neerkomen op een omkering van de bewijslast in strafzaken. Het recht op een eerlijk proces dat door artikel 6 EVRM wordt gewaarborgd kan niet worden losgekoppeld van de eerbiediging van het vermoeden van onschuld, zoals gewaarborgd door artikel  6 § 2 EVRM. Op grond van het beginsel  in dubio pro reo, dat één van de meest fundamentele beginselen van het strafrecht is, berust de bewijslast op de openbare aanklager en kan een persoon tegen wie een vervolging is ingesteld, niet worden gedwongen zijn onschuld te bewijzen.”

De Belgische Staat is veroordeeld tot een morele schadevergoeding van 7.500 EUR voor het slachtoffer.

Aandachtspunten  

  • Deze zaak illustreert de complexiteit van het vaststellen van  feiten van politiegeweld en onderstreept de noodzaak van een grondig en onafhankelijk onderzoek. Er wordt bovendien onderstreept dat beschuldigingen van weerspannigheid zorgvuldig moeten worden onderzocht wanneer een persoon beweert slachtoffer te zijn geweest van politiegeweld.
  • De Ligue des Droits Humains (LDH) was in de procedure tussengekomen om het EHRM informatie te verschaffen over het verschijnsel van politiegeweld in België. De opmerkingen (amicus curiae) van de LDH zijn opgenomen in dit document. Hierin worden de belangrijkste obstakels voor het bewijzen van politiegeweld in België opgesomd en wordt in detail aangegeven aan welke voorwaarden moet worden voldaan om dit soort incidenten te kunnen onderzoeken.

[1] Zaak 48302/15, Boutaffala t/ België: HUDOC - European Court of Human Rights (coe.int)

Downloads