Diversiteitsbarometer Unia: kansenongelijkheid onderwijs onder de loep

4 februari 2018
Actiedomein: Onderwijs

De kansenongelijkheid in het Vlaamse onderwijs blijft een onaanvaardbare realiteit en vloeit voort uit de manier waarop het onderwijs is georganiseerd en uit de blik van scholen op hun leerlingen. Dat is de rode draad die loopt in een nieuwe studie van KU Leuven, UGent en ULB in opdracht van Unia. De onderzoekers ondervroegen 804 leerkrachten en directeurs uit 280 scholen over hun diversiteitsbeleid en lieten 40 diversiteitsexperten aan bod. Tot slot werden de databanken van het onderwijs uitgeplozen en werden 138 leerkrachten en directeurs secundair onderwijs bevraagd over de manier van oriënteren.

Diversiteitsbarometer Unia: kansenongelijkheid onderwijs onder de loep

Uniek en vernieuwend aan de Diversiteitsbarometer Onderwijs is dat hij de oriëntatie door de klassenraad bestudeert: wie krijgt welk attest, wie neemt welke beslissing na een attest en op wat stoelt die beslissing? ‘Wat bleek? De beslissingen van de klassenraad worden niet alleen bepaald door de competenties van de leerling. Ook vooroordelen over socio-economische afkomst en etnische herkomst kunnen een bepalende rol spelen. Dit stellen de onderzoekers vast in zowel Vlaamse als Franstalige scholen. Dit onderzoek is wat mij betreft dan ook een wake-up call, die aantoont dat meer kennis en begrip over vooroordelen van belang is ,’ zegt Els Keytsman, Unia-directeur.

Aanbeveling

Unia is niet verbaasd dat sommige leerkrachten vragen naar striktere regels en procedures en instrumenten om transparantere en meer betrouwbare deliberatiebeslissingen te kunnen nemen. Dat kan met bijvoorbeeld het ontwikkelen van een methodologie voor besluitvorming door de klassenraad.

Kaarten geschud

De kaarten van leerlingen zijn geschud door de manier waarop leerkrachten naar de leerlingen kijken. Onderzoekers toonden aan dat arme leerlingen meer kans hebben op een B- of C-attest dan rijkere leeftijdsgenoten. Sterker: als die arme leerling in een zogenaamde eliteschool zit (een school met een hoger aandeel rijkere leerlingen) dan neemt die kans op een B- of C-attest zelfs spectaculair toe.

Zo hebben leerlingen met arme ouders tot 14 procent meer kans om een B-attest te krijgen dan leerlingen met dezelfde resultaten van wie de ouders het socio-economisch beter hebben. Ook bij leerlingen met een migratieachtergrond merken we eenzelfde patroon: de kans dat die groep moet veranderen van studierichting of van school is tot 12 procent groter dan van kinderen zonder migratieachtergrond.

Aanbeveling

Unia beveelt aan om rekening te houden met de uitkomst van verschillende studies die aantonen dat hoe vroeger de oriëntering plaatsvindt, hoe meer die de ongelijkheid op basis van sociale afkomst versterkt. In Vlaanderen werd een latere oriëntering door een eerste brede graad afgevoerd. De twee stromen blijven behouden. Zo is er geen garantie dat leerlingen van de B-stroom terug naar de A-stroom kunnen overstappen om zo hun schoolloopbaan in het algemeen onderwijs voort te zetten.

Verwachtingen

De leerlingen krijgen niet alleen verschillende attesten, ze gaan ook op een andere manier met de attesten om. Zo zullen leerlingen uit kansengroepen minder snel geneigd zijn om te blijven zitten wanneer ze een B-attest krijgen dan leerlingen met rijkere ouders. De ene groep gaat dus naar een lagere studierichting terwijl de andere groep een jaar overdoet in dezelfde richting. Hoe komt dat?

Volgens onderzoekers spelen de verwachtingen van ouders en het onderwijs hier een rol. Van leerlingen met een sterk socio-economisch profiel verwacht iedereen dat ze later beginnen aan een hogere opleiding. Bij kansarme leerlingen speelt die verwachting niet.  

Imago

Ook op een andere manier weegt de achtergrond van kinderen door in het onderwijs, legt Keytsman uit. ‘Verschillende experts lieten al zien dat ouders vooral letten op het imago en identiteit als ze een school zoeken voor hun kinderen. Ze luisteren naar de verhalen van andere ouders. Daarom zijn scholen bewuster bezig met hun uitstraling. Sommige scholen zullen daarom kinderen van kansengroepen sneller doorverwijzen of weigeren, om hun imago op peil te houden. Die leerlingen komen dan terecht in scholen die wel openstaan voor kansengroepen.’ 

LGBT-leerlingen: papieren werkelijkheid

De studie toont ook dat er een kloof is tussen zeggen en doen. Zo zegt 80 procent van de leraren en directies geen probleem te hebben met holebi’s. En 80 procent van de scholen beweert dat er een vaste en welomlijnde procedure bestaat om te beoordelen welke steun een leerling met een handicap krijgt. Tot zover de theorie.

Helaas blijkt in de praktijk dat meer dan 5 op 10 leerkrachten van het secundair onderwijs het thema seksuele oriëntatie niet bespreekbaar vindt in de lessen. In het basisonderwijs bespreekt zelfs 60 procent van de leerkrachten het onderwerp niet in de klas. 

Aanbeveling

Unia roept alle onderwijsactoren op om tot een echt LGBT-inclusief onderwijs te komen. De belangrijkste aandachtspunten die het onderwijs moet aanpakken? De heteronormativiteit van het onderwijs, de afwezigheid van een LGBT-perspectief in relationele en seksuele vorming en leerkrachten die niet altijd voldoende geïnformeerd zijn. Ondanks de veelheid aan initiatieven schieten ze vaak tekort door hun projectmatige en ad-hockarakter. Alleen een globale, structurele aanpak die gedragen en verankerd is zal écht een verschil maken voor LGBT-jongeren.

Leerlingen met handicap: afhankelijk van persoonlijke inschatting leerkracht

Ook wanneer beoordeeld wordt welke steun een leerling met een handicap krijgt, bestaat er een kloof. In de meeste scholen beslist uiteindelijk de leerkracht welke zorg en ondersteuning wordt geboden. De meerderheid van de leraren zegt zelf hierover te moeten beslissen en kijkt niet naar de procedure die de school hanteert.

‘Dat is onrustwekkend. Een leerling met een handicap is dus veeleer afhankelijk van de persoonlijke inschatting van een leerkracht dan van een objectieve procedure - die op papier wel bestaat. Een leerling met een handicap kan dus van de ene leraar meer ondersteuning krijgen dan van de andere’.

‘Verder blijkt dat leraren zich niet voldoende bekwaam voelen om een leerling met een handicap in de klas te krijgen. Dat verklaart wellicht waarom bij zo’n 40 procent van leraren het zweet uitbreekt aan de gedachte dat ze in de klas moeten omgaan met leerlingen die een psychische of fysieke handicap hebben.’

Aanbeveling

Unia roept op om een onderwijssysteem uit te werken dat uitgaat van verschillen tussen kinderen en dat flexibiliteit als uitgangspunt neemt om gelijke behandeling te realiseren. Daarvoor moet een interdisciplinair personeelskader worden voorzien. Bovendien moet er ingezet worden op relevante en voldoende ondersteuning, training en vorming rond inclusie en een sociale benadering van handicap.

Leerkrachten willen het beste voor hun leerlingen

De barometer toont dat we overal goede wil horen, maar dat blijkt niet voldoende om meer gelijke kansen in het onderwijs te krijgen. Het is vooral een kwestie van meer ondersteuning krijgen. Daar vragen leerkrachten terecht naar.

Aanbeveling

Onderwijsteams moeten positieve relaties kunnen opbouwen met al hun leerlingen – ongeacht hun achtergrond, kenmerken of noden. Methodes, tools en pedagogische vaardigheden aanleren om met diverse klas­sen om te gaan, zijn daarbij een absolute must. Als je voor het leraarsvak kiest, moet je dus weten hoe om te gaan met een diverse klas.

Inclusief onderwijs als antwoord op diversiteit

Niets weegt op tegen het belang van inclusief onderwijs. We blijven inclusieve scholen voor ogen houden waarin elke leerling welkom is. Inclusief onderwijs is de motor van een inclusieve samenleving. ‘Het betekent dat scholen hun infrastructuur, methodes en lesmateriaal en personeelsbeleid op alle leerlingen richten, ongeacht hun kenmerken: leerlingen met een handicap, meertalige nieuwkomers of leerlingen uit gezinnen die om financiële of om andere redenen meer risico op ongelijke behandeling lopen. Het is de plicht van de samenleving om hiervoor te zorgen. Elke beleidsmaatregel en elke extra euro moet in het teken staan van inclusie ,’ eindigt Keytsman. 

Blijf op de hoogte

Wil je de activiteiten van Unia volgen? Dat kan op verschillende manieren:

Volg ons op Facebook en Twitter