Unia: geschiedenis

In 1993 werd het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding opgericht. Op deze pagina lees je alles over de aanloop naar de oprichting, de eerste jaren van het Centrum en de verdeling van zijn bevoegdheden tussen Unia en Myria.    

Naar een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding: de aanloop

Het Internationaal Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vormen van Rassendiscriminatie, dat op 21 december 1965 werd goedgekeurd, wilde een concrete invulling geven aan de principes die in de Verklaring van de Verenigde Naties inzake de Uitbanning van alle Vormen van Rassendiscriminatie werden geformuleerd. Dat dit verdrag tot stand kwam, was mee het gevolg van de dekolonisatie van eind de jaren vijftig en begin de jaren zestig. Het was ook een reactie tegen het Apartheidsregime in Zuid-Afrika. De herinnering aan de gruwel van de Tweede Wereldoorlog en het aanhoudende racisme 20 jaar later, speelden daarbij een doorslaggevende rol.

In België wordt vrijwel meteen na de goedkeuring van het Verdrag op initiatief van Ernest Glinne (PS) op 1 december 1966 een eerste wetsontwerp ingediend om daden ingegeven door racisme te bestraffen. Heel wat verenigingen maken van de goedkeuring van een antidiscriminatiewet een strijdpunt. Het zal echter nog meer dan tien jaar duren voor er een nieuw wetsontwerp tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden op tafel komt. Externe gebeurtenissen zorgen voor een stroomversnelling: in 1980 worden onder meer in Antwerpen, Parijs en Bologna verschillende racistische en/of antisemitische aanslagen gepleegd. In de herfst van datzelfde jaar wordt in Brussel een nationale betoging tegen racisme, antisemitisme en xenofobie georganiseerd. Begin december wordt in een Anderlechts café een Noord-Afrikaanse gastarbeider vermoord door een lid van de extreemrechtse groepering Front de la Jeunesse. Er volgt een nieuwe betoging.

Op 30 juli 1981 wordt de wet tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden of de zogenoemde wet-Moureaux eindelijk afgekondigd.

Andere gebeurtenissen leiden later tot de oprichting van het Koninklijk Commissariaat voor de Migranten (1989-1993). In de jaren 1980 verandert de kijk op migratie als gevolg van een bijzondere politieke en economische context. De twee opeenvolgende oliecrisissen van 1973 en 1980 monden uit in een ernstige recessie en een drastische toename van de werkloosheid. Zo telt België midden de jaren 1980 450.000 werklozen meer dan in 1973. Die massale werkloosheid verzwakt de positie van de migranten en geeft aanleiding tot het ventileren van xenofobe politieke standpunten. Een eerste uiting ervan is het 'nolsisme' in Brussel, genoemd naar de liberale Schaarbeekse burgemeester Roger Nols. In diezelfde periode laat men ook definitief het idee varen dat gastarbeiders naar hun land van herkomst zullen terugkeren. Die terugkeermythe, die zowel bij de migranten als binnen de samenleving van het gastland leeft, wordt doorgeprikt. De migranten hebben immers banden aangehaald met België, waar hun kinderen naar school gaan en waar ze zich in de samenleving hebben geïntegreerd.

Het migratiedebat struikelt over een symbolische en politieke kwestie: het gemeentelijk stemrecht voor vreemdelingen. In 1988 schaart de regering-Martens-Moureaux zich achter het PS-voorstel om voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een commissaris voor het migrantenbeleid te benoemen. Maar het voornemen krijgt geen concrete vorm. Opnieuw zorgt een externe gebeurtenis voor vertraging en verdeeldheid: de opkomst in Vlaanderen van de extreemrechtse partij Vlaams Blok bij de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1988. In Antwerpen behaalt de Vlaams Blok-lijst onder leiding van Filip Dewinter meer dan 17 procent van de stemmen.

De migratiekwestie wordt dan niet langer als een louter Brussels probleem gezien en de regering beslist om twee koninklijke commissarissen te benoemen: Paula D’Hondt (CVP) en Bruno Vinikas (PS). Zij moeten de migratiekwestie onderzoeken en een migrantenbeleid uitstippelen. 

De oprichting van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (1993)

Na vier jaar Koninklijk Commissariaat luidt één van de aanbevelingen dat er nood is aan een permanente structuur om rassendiscriminatie te bestrijden en om gelijke kansen en integratie te bevorderen. Daardoor ontstaat in 1993 het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding. Een Centrum dat bij wet is opgericht, en dus volop een openbare dienst is, en zijn opdrachten meekrijgt van het parlement. Maar een openbare dienst die dat in alle onafhankelijkheid moet doen.

De pas opgerichte instelling is op dat moment vrijwel uniek in Europa. Alleen Groot-Brittannië heeft een vergelijkbare Commission for Racial Equality. Gaandeweg bevestigt het Centrum zijn legitimiteit en groeit het uit tot een belangrijke speler voor de bevordering van gelijke kansen en rechten in België. Zijn opdracht bestaat er niet alleen in onderzoek te verrichten en adviezen en aanbevelingen te formuleren voor de overheid, particulieren en particuliere instellingen, maar ook individuele dossiers te behandelen en slachtoffers van racistische daden bij te staan met advies, bemiddeling of indien nodig een gerechtelijke procedure. 

1994-2004: het Centrum krijgt steeds meer bevoegdheden

In 1994 zorgt het Centrum voor een doorbraak in de kwestie van de erkenning en de vertegenwoordiging van de islam. Die kwestie beheerst de politieke agenda al jaren na de moord op de imam-directeur en de bibliothecaris van de moskee in het Jubelpark, maar ook na de klachten over het inrichten van lessen islamitische godsdienst in Brusselse gemeenten. Onder leiding van het Centrum gaan onderhandelingen van start met de belangrijkste moslimorganisaties in België met het oog op de oprichting van een Algemene Vergadering van Moslims en een Executieve die in 1994 door de regering wordt erkend. Het Centrum zal in 1998 opnieuw worden ingeschakeld bij de verkiezingen voor de samenstelling van de tweede Algemene Vergadering.

In 1995 wordt de Belgische antiracismewetgeving aangevuld met de Wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaalsocialistische regime is gepleegd. Het Centrum wordt bevoegd verklaard om een rechtszaak aan te spannen bij geschillen die binnen de toepassingssfeer van die wet vallen.

Nog in 1995 krijgt het Centrum op basis van de wet van 13 april 1995 de specifieke taak om het beleid ter bestrijding van de mensenhandel te bevorderen, te coördineren en te volgen. Die wet wordt later aangevuld met de Wet van 10 augustus 2005 met het oog op de versterking van de strijd tegen de mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers.

1997 is het Europees Jaar tegen Racisme. Het Centrum organiseert een ‘Staten-Generaal voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding’ waarop het meer dan duizend mensen verzamelt. Ze praten over thema’s als de politieke participatie van vreemdelingen, onderwijs, discriminatie op de arbeidsmarkt, … 

2003: migratie en ‘niet-raciale’ discriminatie

Tien jaar na zijn oprichting krijgt het Centrum in 2003 van de wetgever de opdracht om de overheid te informeren over de aard en de grootte van de migratiestromen en om te waken over het respect van de grondrechten van vreemdelingen. Het Centrum zorgt er vanaf dan voor om de overheid, het middenveld en het grote publiek zo nauwkeurig mogelijke informatie te bezorgen over de migratiestromen en over de migranten die hier verblijven en probeert zo bij te dragen tot een goed gefundeerd migrantenbeleid. Daarnaast waakt het over het respect van de grondrechten van vreemdelingen. Het observeert wat op het terrein gebeurt en volgt de complexe wetgeving nauwgezet. Het biedt ook eerstelijnsbijstand aan mensen die informatie willen over hun grondrechten of verblijfssituatie. Die nieuwe taak bekrachtigt de activiteiten op het vlak van de bescherming van grondrechten die het Centrum al sinds zijn oprichting verricht: het bezoekrecht van het Centrum aan gesloten centra, de adviezen die het over regularisatie verstrekt, de hulp die het verleent in verblijfsdossiers enzovoort. De link tussen 'de bestrijding van racisme' en 'de bevordering van de grondrechten van vreemdelingen' spreekt voor zich.

Nog in datzelfde jaar wordt het Centrum door de Wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie ook bevoegd voor zogenoemde 'niet-raciale' vormen van discriminatie op grond van een handicap, seksuele geaardheid, leeftijd, geloof of overtuiging, een fysieke eigenschap enzovoort. Met de Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie die de Europese richtlijn 2000/78/EG over gelijke behandeling in arbeid en beroep omzet, worden het algemene kader ter bestrijding van discriminatie in België en de taken van het Centrum verder uitgebreid.

In 2004 neemt het Centrum actief deel aan de Commissie voor Interculturele Dialoog die de federale regering opricht. De Commissie heeft als doelstelling om een stand van zaken te schetsen van de problemen die gepaard gaan met de evolutie van de multiculturele samenleving in België en in Europa. Het initiatief wordt in 2009 door de Minister van Gelijke Kansen nieuw leven ingeblazen in de vorm van de Rondetafels van de Interculturaliteit. 

2011: onafhankelijke instantie voor het VN-verdrag inzake de Rechten van Personen met een handicap

Op 12 juli 2011 besloten de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten van ons land om Unia aan te wijzen als onafhankelijke instantie, verantwoordelijk voor de uitvoering, de bescherming en de opvolging van de uitvoering van het VN-verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (art. 33.2 van het verdrag). Dit verdrag werd op 1 augustus 2009 in België geratificeerd. Het is het eerste internationale instrument dat minimumnormen oplegt in verband met de rechten van personen met een handicap. Sinds 2011 is de rol van Unia dus ook: verzekeren dat er maatregelen worden genomen zodat personen met een handicap hun rechten volledig kunnen uitoefenen.     

Van één centrum naar twee: Unia en Myria

Op 12 juni 2013 ondertekenden de federale regering, gewesten en gemeenschappen een samenwerkingsakkoord. Het oude centrum werd hervormd tot een Interfederaal Gelijkekansencentrum en een Federaal Migratiecentrum.

  • Het Federaal Migratiecentrum kreeg op 3 september 2015 de nieuwe naam Myria. Het is verantwoordelijk voor de opdrachten inzake migratie, de grondrechten van vreemdelingen en een menswaardige behandeling.
  • Het Interfederaal Gelijkekansencentrum werd op 22 februari 2016 omgedoopt tot Unia. Unia is verantwoordelijk voor de bestrijding van discriminatie en de bevordering van gelijke kansen.

Dankzij de interfederalisering werden de bevoegdheden van Unia uitgebreid tot die van de gewesten en gemeenschappen. Daardoor kan elke burger van België bij één instantie (Unia) terecht als hij het slachtoffer is van discriminatie op basis van één van de door wetten en decreten beschermde criteria, over welk bevoegdheidsniveau het ook gaat.

Wil je meer weten over de huidige werking van Unia? Lees hier het meest recente jaarverslag.